donderdag 31 december 2015

Horror, wat is dat?

Elk gesprek over horrorfilms stuit op verwarring. Ook publicisten lijken allemaal iets anders onder horrorfilms te verstaan. Filmwetenschapper Jaap de Wreede vindt dat er wel eens duidelijkheid mag komen en zet de definities naast elkaar. 


Het doel van dit artikel is niet om een ‘objectieve’ omschrijving van het genre horrorfilm te geven, maar om sommige bestaande definities af te zetten tegen de inhoud van de films die dagelijks in de bioscoopladder of de dvd-bakken zijn te vinden. Deze vergelijking, die ik baseer op een eigen onderzoek naar horrorfanbladen, maakt duidelijk dat de inperking van een genre door journalisten en andere opiniemakers veel invloed heeft op de manier waarop naar films wordt gekeken.

In het verlengde daarvan heeft deze afbakening van begrippen wellicht ook een impact op recettes en daarmee dus ook op films die vervolgens in productie worden genomen.

Jaap de Wreede


Van Dale 

Van Dales Groot Woordenboek der Nederlandse Taal wordt vaak genoemd als het standaard woordenboek. Dat is ook de reden dat een definitie in dit naslagwerk van een algemene strekking zal zijn en zich niet richt op de nuances die de vakman bezighouden. Onder het lemma horror staat te lezen: ‘genre van romans, films e.d. die griezeleffecten beogen’, onder horrorfilm: ‘griezelfilm’ en onder griezelfilm: ‘film gemaakt om de toeschouwers te laten griezelen’.

Hier hebben we niet zoveel aan, want we worden als het ware van het kastje naar de muur gestuurd. Het gaat hier duidelijk om beschrijvingen bedoeld om de leek uit te leggen wat een horrorfilm is, niet wetenschappelijk werkbare definities.

Filmwetenschap 

En wat zegt de filmwetenschap? David Bordwell en Kristin Thompson zijn beroemde exponenten van het vrij jonge vakgebied, wier werk vaak tot de verplichte literatuur behoort. Zij schrijven in hun standaardwerk Film Art - An Introduction (New York, St. Louis etc., 1997):

While the Western is most clearly defined by its subject, theme and iconography, the horror genre is most recognizable by its intended emotional effect on the audience. The horror film aims to shock, disgust, repel - in short, to horrify. This impulse is what shapes the genre’s other conventions. What can horrify us? Typically, a monster. In a horror film, the monster is a dangerous breach of nature, a violation of our normal sense what is possible. The monster might be unnaterally large, as King Kong is. The monster might violate the boundary between the dead and the living, as vampires and zombies do. Or the monster may manifest a biology unknown to science, as with the creature in the Alien films. The genre’s horrifying emotional effect, then, is usually created by a character convention: a threatening, unnatural monster.

Other conventions follow from this one. Our reaction to the monster may be guided by other characters who react to it in the properly horrified way. In Cat People, a mysterious woman can, apparently, turn into a panther. Our revulsion and fear are confirmed by the reaction of the woman’s husband and his coworker [...]. By contrast, we know that E.T. is not a horror film because, although the alien is unnatural, he is not threatening and the children do not react to him as if he is.

The horror plot will often start from the monster’s attack on normal life. In response, the other characters must discover that the monster is at large and try to destroy it. This plot can be developed in various ways - by having the monster launch a series of attacks, by having people in authority resist believing that the monster exists, or by blocking the characters’ efforts to destroy it. 

Jaap de Wreede

Anders dan Van Dale leggen de filmwetenschappers de nadruk op het abnormale, dus bovennatuurlijke element, in de griezelfilm. Als we op deze definitie voortborduren, zou je kunnen zeggen dat Dracula (Tod Browning, 1931), Frankenstein (James Whale, 1931) en Night of the Living Dead (George A. Romero, 1968) horrorfilms zijn, omdat ze respectievelijk gaan over vampiers, een uit stukken lijk bij elkaar geknutseld monster en zombies. Psychopatenfilms als The Texas Chain Saw Massacre (Tobe Hooper, 1974), Psycho (Alfred Hitchcock, 1960) en Saw (James Wan, 2004) vallen dus buiten de definitie van Bordwell en Thompson.

Maar zeker twee van die laatste drie films worden vaak gezien als (moderne) klassiekers binnen het genre, ook door de filmjournalisten die we later in dit artikel nog tegenkomen. Ook de man in de straat, wiens onwetenschappelijke categoriseringen uiteindelijk doordruppelen tot het wetenschappelijk en vakdiscours, noemt een film waarin een gek met een kettingzaag achter jonge vrouwen aanzit, 'gewoon' horror.

VPRO 

Dat horror sinds de jaren tachtig steeds meer een geaccepteerd genre werd, bleek wel in 1994. Toen schreef Gerhard Busch in de VPRO-gids een beschouwing over het genre. Busch:

Geen lezer [...] of hij heeft wel eens een zogenaamde ‘horrorfilm’ gezien. Maar die zijn lang niet altijd eng. Te vaak wordt eng verward met spannend of - zeker in Zombie- en splatter-films van beginjaren tachtig - met bloederig en weerzinwekkend. De doorsnee horrorfilm bedient zich van allerlei trucs om de kijker bang te maken: buitensporig geweld, special effects, make-up, ongewone camera-opstellingen, griezelige muziek, dreigende belichting, enzovoort. 
  
Busch spreekt zichzelf tegen: buitensporig geweld is volgens hem een methode om de kijker angst aan te jagen, maar dit buitensporige geweld is juist het hoofdbestanddeel van de zombie- en splatterfilms, die niet eng maar bloederig en weerzinwekkend zouden zijn. Net als bij Van Dale en Bordwell/Thompson staat de angst centraal; anders dan bij Bordwell en Thompson wordt de link met monsters niet gelegd, afgezien van de vermelding van het zombie-subgenre.

De journalist publiceert ook zijn lijstje favorieten bij het artikel. Daarin komen we voor onze beschouwing interessante titels tegen als: The Texas Chain Saw Massacre (Tobe Hooper, 1974), Halloween (John Carpenter, 1978) en Henry: Portrait of a Serial Killer (John McNaughton, 1990). Maar liefst drie psychopatenfilms dus.

Indertijd trok ik bovendien mijn wenkbrauwen op toen ik zag dat ook Eraserhead (David Lynch, 1977) in het lijstje stond. Is dat dan een horrorfilm? Lynch’ film onttrekt zich mijns inziens aan alle genres, hoewel invloeden van surrealisme en absurdisme herkenbaar zijn. Vervreemding is een veel belangrijker element dan angst en de film bevat dan wel één zeer bloederige scène, maar dat is niet genoeg om er een horrorfilm van te maken.

Schokkend Nieuws 

Nog interessanter is hetgeen Bart van der Put over het genre te zeggen heeft. Van der Put, medewerker van filmblad Schokkend Nieuws, is een invloedrijk figuur, zowel onder genrefans als binnen de filmkritiek. In 2000 schreef hij in Het Parool:

Het [de vraag wat een horrorfilm is] is een kwestie van semantiek en marketing. Taalkundig staat horror voor afgrijzen en gegriezel, waar het als genreterm ook bloederige komedies, brute misdaadfilms of beklemmend drama omvat. Als er een breed publiek aangesproken moet worden blijkt dat een distributeur er soms beter aan doet een horrorfilm als een thriller te afficheren. De term horror schrikt af, want het genre wordt geassocieerd met monsters en bloedvergieten, platte gruwel zonder diepgang, betekenis of waarde. Wanneer een film overtuigende dramatische kwaliteiten en inhoudelijke diepgang heeft, slaat de twijfel toe. 
Jaap de Wreede


Van der Puts definitie kan verbazing wekken; het is immers zo’n ruime definitie dat het bijna geen definitie meer is. Geen andere publicist is gevonden die 'bloederige komedies', 'brute misdaadfilms' en 'beklemmend drama' onder het kopje horror schaart.

Het klopt natuurlijk dat er twijfelgevallen zijn: Audition (Miike Takashi, 1999) beschreef ik in een boutade ooit als een ‘SM-filmpje’; volgens Van der Put was het gewoon een ‘horrorfilm’. Maar het bestaan van een paar films die kennelijk op de kruising van enige genres staan, betekent niet dat je al die genres tot één soort kunt terugbrengen.

Van der Puts ruime beschrijving van het genre sluit wel goed aan op de inhoud van zijn eigen blad Schokkend Nieuws. Van Russ Meyer-softporno tot Star Trek, het is allemaal in het tijdschrift te vinden, met zelfs af en toe een uitstapje naar fetish en satire. Kortom, als dit een horrorblad is, kun je je afvragen wat horror eigenlijk is.

Ook Van der Put is een fan van The Texas Chain Saw Massacre en Psycho. Zijn favorietenlijstje (dat hij ooit publiceerde in Schokkend Nieuws) sluit aan op zijn losse definitie. Een andere opvallende titel is Roman Polanski's The Fearless Vampire Killers (1967). Dat mag dan wel een komedie over vampiers zijn, slapeloze nachten heeft niemand ervan gehad. Of wat te denken van een andere favoriet, Kwaidan (Masaki Kobayashi, 1964)? Die Japanse productie zie ik eerder als een fantasyfilm, want griezelig is hij geen moment.

Dus...? 

Bovenstaande wetenschappelijke en journalistieke definities roepen meer vragen op dan dat ze duidelijkheid verschaffen. Misschien kunnen we het laatste woord het best gunnen aan de mensen die het genre écht bepalen. En dat zijn de fans. Die schrijven, bloggen en discussiëren gewoon over wat hen boeit; aan wetenschappelijke definities hebben ze geen behoefte. Dat heeft tot veel verwarring geleid, maar het is wel de realiteit. Misschien moeten we afsluiten met het truïsme dat horrorfilms die zaken zijn die als zodanig worden beschouwd. “I know it when I see it,” zoals een rechter ooit zei over pornografie. We weten dat het een griezelfilm is, wanneer we hem zien.

Dit artikel is een voorpublicatie uit het boek De Lobby voor Horror door Jaap de Wreede, dat verkrijgbaar is via Amazon.com en Bol.com.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten